03/04/2026

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft een man vrijgesproken van pooierschap. Er kon niet met de vereiste gerechtelijke zekerheid besloten worden dat de beklaagde op de hoogte was dat de door hem verhuurde woning in Zelzate werd gebruikt in het kader van prostitutie, laat staan dat hij hiermee prostitutie vergemakkelijkte met als doel het bekomen van een abnormaal economisch voordeel.

Feiten 

Een onderzoek naar online advertenties van prostituees leidde de politiediensten - in samenwerking met de sociale inspectie – op 6 juni 2024 naar een adres in Zelzate. Daar trof de politie verschillende sekswerkers aan, waarvan meerderen illegaal in het land verbleven. Diverse sekswerkers verklaarden aan de sociale inspectie dat ze in de woning een kamer huurden en daar grote sommen geld (400 euro per week) voor moesten betalen, zij het aan de beklaagde dan wel aan één van de aanwezige sekswerkers (JC).

JC verklaarde dat zij in eerste instantie de woning huurde van de beklaagde, aan een maandelijkse huurprijs van 2.500 euro, om deze samen met haar moeder te bewonen. Toen haar moeder na verloop van tijd de woning verlaten had, was ze op het idee gekomen om kamers van de woning te verhuren aan andere sekswerkers om zo de hoge huurprijs te kunnen betalen. Aan de andere sekswerkers vroeg ze zelf 400 euro per week voor een kamer. Volgens JC was de beklaagde effectief op de hoogte dat de woning door de hoge huurprijs gebruikt werd door sekswerkers.

Bij zijn verhoor verklaarde de beklaagde op zijn beurt dat hij geen eigenaar was van de woning. Hij huurde deze van de eigenaar (voor een bedrag van 1.100 euro) en verhuurde ze dan verder door aan een dame (JC die illegaal in het land was). JC had de woning bezocht in het bijzijn van een man. Uit het onderverhuurcontract met JC bleek dat de beklaagde hiervoor een maandelijkse huur ontving van 2.500 euro. Hij wist niet dat er sekswerkers in de woning aanwezig waren. De hoge huurprijs die hij zelf vroeg, had volgens hem simpelweg te maken met vraag en aanbod, en de locatie van de woning. Hij verhuurde de woning overigens al eerder aan dezelfde prijs (dus voor sekswerker JC erin trok).

Tenlastelegging

De beklaagde moest zich voor de rechtbank verantwoorden wegens pooierschap, met de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd tegen een kwetsbare meerderjarige ten gevolge van haar onwettige administratieve toestand.

Beoordeling rechtbank 

De rechtbank heeft de beklaagde vrijgesproken. Er kon niet met de vereiste gerechtelijke zekerheid besloten worden dat de beklaagde op de hoogte was dat de door hem verhuurde woning werd gebruikt in het kader van prostitutie, laat staan dat hij hiermee prostitutie vergemakkelijkte met als doel het bekomen van een abnormaal economisch voordeel.

Motivering rechtbank

Bij haar beslissing hield de rechtbank onder andere rekening met volgende elementen:

  • Uit de uitlezing van het gsm-toestel van JC bleek dat de beklaagde wist, of minstens vermoedde, dat er op een gegeven moment meerdere personen in de woning verbleven, en dit omdat de kostprijs van water en elektriciteit relatief hoog lag. Verder bleek dat JC op een gegeven ogenblik een bericht verstuurde naar de beklaagde waarin ze stelde dat ze aan het wachten was op twee meisjes. De rechtbank oordeelt echter dat uit deze geïsoleerde berichten alleen niet met afdoende zekerheid blijkt dat de beklaagde daardoor wist dat er sekswerkers werkzaam waren in de door hem verhuurde woning.

  • Ook het gegeven dat de huurprijs van de verhuurde woning opmerkelijk hoger zou liggen dan van gelijkaardige woningen op de huurmarkt blijkt niet met afdoende zekerheid, nu de strafinformatie daartoe onvoldoende gegevens bevat. 
  • Het gegeven dat de huurders zich niet konden domiciliëren, en er om die reden een hogere huurprijs gevraagd werd, leidt er niet noodzakelijkerwijze toe dat de beklaagde daardoor wist dat er sekswerkers werkzaam waren. Zo betaalde JC dezelfde hoge huurprijs reeds toen ze met haar moeder de woning betrok, en blijkt nergens dat ze toen reeds de woning gebruikte om sekswerk uit te oefenen.

  • De rechtbank stelt vast dat JC verklaarde dat zij zelf de maandelijkse huurgelden van de andere dames aan de beklaagde overhandigde of deze naar hem overschreef.
  • Een veroordeling kan enkel uitgesproken worden als uit de aangevoerde bewijselementen voortvloeit dat de beklaagde boven iedere redelijke twijfel schuldig is aan de hem verweten feiten. Het volstaat niet dat de schuld van de beklaagde aannemelijk is, en evenmin of de schuld eerder waarschijnlijk dan onwaarschijnlijk is. Er moet hierover menselijke zekerheid bestaan. Anders gezegd, moet worden vastgesteld dat een alternatieve verklaring voor de feiten dan de schuld van de beklaagde niet redelijk denkbaar is. De aangevoerde bewijselementen tegen de beklaagde voldoen niet aan deze norm.