De rechtbank van eerste aanleg Leuven heeft vandaag een beklaagde schuldig bevonden aan onder meer poging tot moord. Hij wordt hiervoor veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 14 jaar. De feiten vonden plaats op 26 september 2025 in de woning van het slachtoffer in Geetbets. In haar vonnis heeft de rechtbank het over extreem gewelddadige feiten, die diepe sporen hebben nagelaten bij de slachtoffers.
Feiten en achtergrond
De feiten vonden plaats op 26 september 2025, aan en in de woning van ‘slachtoffer 1’ te Geetbets. ‘Slachtoffer 1’ is de adoptiemoeder van ‘slachtoffer 2’, met wie beklaagde een relatie had.
Beklaagde verklaarde dat hij ‘slachtoffer 2’ in oktober 2024 via een datingapp had leren kennen. Kort daarna gingen zij een relatie aan. Ongeveer twee maanden later bleek ‘slachtoffer 2’ zwanger te zijn van een dochter. In de periode januari–februari 2025 gingen zij samenwonen in haar appartement te Diest. Na verloop van tijd ontstonden de eerste barsten in de relatie en namen de spanningen toe. Op 9 augustus 2025 escaleerde de situatie zodanig dat de politie werd gecontacteerd wegens huiselijke moeilijkheden, waarbij beklaagde de woning diende te verlaten. Beklaagde had op dat ogenblik zijn sociale woning in Aarschot reeds verloren en beschikte bijgevolg niet langer over een vaste verblijfplaats.
Op een bepaald moment vernam beklaagde dat ‘slachtoffer 2’ iemand anders had aangeduid als peter van hun dochter. Voor beklaagde was dit een belangrijk signaal dat zowel hij als zijn omgeving uit het leven van hun dochter werd geweerd. Volgens zijn verklaring bracht dit besef hem uit evenwicht en ‘triggerde’ het iets bij hem.
Beklaagde besloot daarop naar Geetbets te gaan, waar hij wist dat ‘slachtoffer 2’ op dat moment verbleef bij haar adoptiemoeder ('slachtoffer 1'). Beklaagde wilde met haar spreken. Hij kocht duct tape, nam de trein richting Diest en legde het laatste traject per fiets af. Op woensdagavond 24 september 2025 kwam hij aan in de buurt van de woning.
Hij installeerde zich in het bos achter de woning en observeerde van daaruit de woning en haar bewoners. Op een bepaald ogenblik merkte beklaagde dat ‘slachtoffer 2’ geen zichtbare zwangerschap meer had en ging hij ervan uit dat zij een miskraam had gehad, wat hem verder uit balans bracht. Diezelfde avond zag hij echter dat zij een baby vasthield, waardoor hij besefte dat zijn dochter geboren was. Hij verklaarde dat dit bij hem gemengde gevoelens opriep.
Beklaagde ging uiteindelijk in de serre zitten om te schuilen voor de regen, waar hij in slaap viel. Op vrijdagochtend 26 september 2025 werd hij er wakker door geluiden in de tuin. Toen hij even verderop een dode kip opmerkte en zich in die richting begaf, kwam ook ‘slachtoffer 1’ daarheen. Omdat hij zich naar eigen zeggen niet meer ongemerkt kon verwijderen, verschool hij zich achter een struik. Toen ‘slachtoffer 1’ bij de dode kip aankwam en zich omdraaide, greep beklaagde een steekschop die naast hem stond en sloeg hij haar hiermee op haar hoofd, waardoor zij achterover viel.
Vervolgens ging beklaagde de woning binnen, waar ‘slachtoffer 2’ zat en moedermelk afkolfde. Hij confronteerde haar met zijn vragen en verwijten en nam de gsm‑toestellen weg om communicatie met de buitenwereld te verhinderen.
Op een bepaald ogenblik hoorde ‘slachtoffer 2’ geluid buiten. Het betrof haar adoptiemoeder ('slachtoffer 1'), die opnieuw de woning wilde binnengaan. In een poging haar te waarschuwen, riep ‘slachtoffer 2’ dat haar adoptiemoeder moest weggaan. Beklaagde ging via de achterdeur naar buiten, duwde 'slachtoffer 1' van de trap en bracht haar vervolgens herhaaldelijk messteken toe. Ondanks haar smeekbede om te stoppen, ging hij door tot zij geen tekenen van beweging meer vertoonde.
Na terugkeer in de woning reinigde beklaagde het mes en zijn handen en bond hij ‘slachtoffer 2’ vast met duct tape. Hij controleerde vervolgens meermaals of 'slachtoffer 1' nog leefde. Hoewel hij aanvankelijk geen beweging kon vaststellen, merkte hij later dat haar houding veranderd was, wat hem deed vermoeden dat zij nog leefde.
Beklaagde gaf vervolgens een gsm aan ‘slachtoffer 2’, droeg haar op de hulpdiensten te contacteren en verliet de woning om zijn fiets op te halen. Onderweg wierp hij het mes weg.
Beklaagde wordt vervolgd voor poging tot moord op ‘slachtoffer 1’ (tenlastelegging A). Daarnaast dient hij zich te verantwoorden voor onmenselijke behandeling (tenlastelegging B), wederrechtelijke en willekeurige gevangenhouding (tenlastelegging C) en bedreigingen (tenlastelegging D), telkens ten nadele van ‘slachtoffer 2’.
Oordeel rechtbank
De tenlastelegging ‘poging tot moord’ (tenlastelegging A) blijkt volgens de rechtbank uit het geheel van de handelingen van beklaagde én uit de ernst van het geweld:
- Beklaagde bracht een slag toe op het hoofd van ‘slachtoffer 1’ met een steekschop, een handeling die gericht is op een kwetsbaar en vitaal lichaamsdeel.
- Nadien diende beklaagde herhaaldelijk messteken toe. Hij stopte niet, zelfs niet toen ‘slachtoffer 1’ hem expliciet smeekte om te stoppen, maar zette het geweld voort totdat zij geen enkele beweging meer vertoonde.
- Het doelgerichte en potentieel dodelijke karakter van het geweld wordt bevestigd door de gerechtsdeskundige, die melding maakt van een zeer groot aantal scherprandige verwondingen (meer dan vijftig), waaronder minstens tien steekverwondingen ter hoogte van vitale lichaamszones zoals onder meer de hals, borst en buik.
- Ten slotte blijkt uit het feit dat beklaagde nadien controleerde of het slachtoffer nog leefde, dat hij zich bewust was van de potentieel dodelijke gevolgen van zijn handelen.
- Diverse handelingen van de beklaagde wijzen bovendien op planmatig handelen: de verplaatsing van de beklaagde naar de woning met een mes; de aanschaf van duct tape (om een persoon te immobiliseren); het dragen van zwarte kleding om de zichtbaarheid te beperken; de doelgerichte observaties van de woning en haar bewoners; het wegnemen van de gsm‑toestellen in de woning om communicatie te verhinderen; het geopende vlindermes toen hij op ‘slachtoffer 1’ afstapte.
Volgens de rechtbank is het feit dat ‘slachtoffer 1’ de mesaanval overleefde geenszins te danken aan het handelen van de beklaagde, maar uitsluitend aan omstandigheden buiten zijn wil. De medische interventie was daarbij cruciaal voor de snelle stabilisatie en vermoedelijk ook levensreddend.
De rechtbank acht ook de tenlasteleggingen B, C en D bewezen:
- Tenlastelegging B (onmenselijke behandeling). ‘Slachtoffer 2’ verkeerde in een toestand van intense angst en psychische ontreddering: zij hoorde haar moeder schreeuwen en zag nadien hoe beklaagde de woning opnieuw betrad met bebloede handen en een bebloed mes. Zij verkeerde daarbij in de overtuiging dat haar adoptiemoeder overleden was. Daarnaast vreesde zij niet alleen voor haar eigen leven, maar ook voor dat van haar dochter.
- Tenlastelegging C (wederrechtelijke gevangenhouding). Uit het strafdossier blijkt dat ‘slachtoffer 2’ reeds haar vrijheid was ontnomen vanaf het ogenblik dat beklaagde de woning met een mes betrad (dus nog vóór hij haar met duct tape vastmaakte). De aanwezigheid van het mes en de dreigende houding van beklaagde volstonden om een feitelijke gevangenhouding te doen ontstaan.
- Tenlastelegging D (bedreigingen door gebaren of zinnebeelden). Uit de verklaringen van ‘slachtoffer 2’ blijkt dat beklaagde haar heeft bedreigd door te stellen dat hij haar en het kind iets zou aandoen, indien zij de politie zou verwittigen. Deze bedreigingen, geuit in een context van manifeste agressie en met een wapen in de hand, sloten elke vorm van vrijwillig handelen uit.
Uitspraak op strafgebied
De rechtbank veroordeelt beklaagde voor de bewezen feiten A, B, C en D tot een effectieve gevangenisstraf van 14 jaar.
De rechtbank beveelt, na beraad, ook de onmiddellijke aanhouding van beklaagde.
Uitspraak op burgerlijk gebied
Op burgerlijk vlak dient de beklaagde aan zowel ‘slachtoffer 1’ als ‘slachtoffer 2’ een provisionele schadevergoeding van telkens 10.000 euro te betalen. Daarnaast stelt de rechtbank een geneesheer‑deskundige aan om voor beide slachtoffers het definitieve bedrag van de schadevergoeding te bepalen.
Voorts moet de beklaagde aan de overige burgerlijke partijen een morele schadevergoeding betalen van in totaal 5.250 euro.
Motivering rechtbank
Volgens de rechtbank zijn de feiten bijzonder ernstig en hebben ze bij de slachtoffers diepe sporen nagelaten.
‘Slachtoffer 1’ werd het slachtoffer van extreem geweld met ernstige lichamelijke en psychische gevolgen.
Ook voor ‘slachtoffer 2’ zijn de gevolgen bijzonder ingrijpend. Zij bevond zich op het moment van de feiten in een zeer kwetsbare situatie, aangezien zij amper vier dagen voordien was bevallen van een dochtertje van beklaagde. In die omstandigheden werd zij geconfronteerd met extreme angst en machteloosheid. Dergelijke ervaringen laten een diepe indruk na.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook rekening gehouden met de persoonlijke situatie van beklaagde. Uit het psychologisch verslag blijkt dat beklaagde is opgegroeid in moeilijke omstandigheden. Volgens het verslag bestaat er ook een verband tussen deze jeugdervaringen en de feiten. Voorts betwist de beklaagde de feiten niet, toont hij schuldinzicht en erkent hij de gevolgen van zijn handelen.