Baggermaatschappij DEME NV, vijf van haar kaderleden, en een externe consultant werden verdacht van omkoping bij het binnenhalen in 2014 van een baggercontract om in Rusland, op het Siberisch schiereiland Jamal, een zeekanaal aan te leggen. Hierover werd in 2015 een klacht neergelegd door de baggerfirma Jan De Nul NV. Het hof van beroep oordeelde dat de feiten niet bewezen waren en sprak alle beklaagden vrij.
Feiten
In 2015 legde baggerfirma Jan De Nul NV klacht neer bij het Parket Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Haar concurrent, de baggerfirma DEME NV, zou een contract voor het uitbaggeren van een zeekanaal op het Russische schiereiland Jamal (in het kader van de aanleg van zeehavenfaciliteiten in Sabetta), door omkoping hebben binnengehaald. Dit contract werd in 2014 toegewezen aan MORDRAGA LLC, een joint-venture tussen DEME NV en de Russische onderneming Stroytransgaz.
Ook Jan De Nul NV had zich kandidaat gesteld om deze werken uit te voeren.
Baggerbedrijf Jan De Nul NV verwees in haar klacht naar een reeks interne emailberichten die in de onderhandelingsfase van het project waren uitgewisseld tussen kaderleden van DEME NV en een externe consultant, waaruit de omkoping zou blijken. De wijze waarop deze emailberichten in het bezit waren gekomen van Jan De Nul NV, werd nooit verduidelijkt.
Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat de emailberichten authentiek waren, en dat DEME NV tijdens de onderhandelingen voor het project een aantal consultancy-overeenkomsten had afgesloten, waarvoor de betalingen tijdens de latere uitvoering van het project plaatsvonden op diverse buitenlandse bankrekeningen. Volgens het openbaar ministerie moesten deze overeenkomsten de betaling van de smeergelden verbergen.
Baggerbedrijf DEME NV, de betrokken kaderleden en de externe consultant hebben de feiten steeds ontkend. Volgens hen werd het contract aan MORDRAGA LLC toegewezen omdat deze onderneming de beste offerte had ingediend, en hadden deze consultancy-overeenkomsten betrekking op diensten die verleend werden in het kader van de uitvoering van het project.
Tenlasteleggingen
De beklaagden moesten zich verantwoorden voor valsheid in geschrifte, actieve en passieve publieke omkoping, en witwassen.
Oordeel correctionele rechtbank van eerste aanleg
De correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, besliste op 4 september 2024 dat de strafvordering onontvankelijk was, zodat alle beklaagden vrijuit gingen.
De rechtbank was van oordeel dat Jan De Nul NV het intern emailverkeer van DEME NV en haar kaderleden op een onrechtmatige wijze had verkregen. Meer bepaald was deze informatie volgens de rechtbank duidelijk afkomstig van een illegale hacking van deze mailboxen. Door deze onregelmatigheid, en onder andere doordat ook heel het verdere onderzoek berustte op deze onregelmatigheid en op de versie van de feiten gegeven door Jan De Nul NV, waren de rechten van verdediging van de beklaagden op een onherstelbare wijze geschonden.
Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen het vonnis van 4 september 2024.
Jan De Nul NV trok zich terug uit de procedure.
Oordeel hof van beroep
Het hof van beroep besliste dat de strafvordering wel ontvankelijk was, en hervormde op dit punt de beslissing van de eerste rechter.
Dat bewijzen eventueel onrechtmatig zijn verkregen, betekent niet dat deze nooit kunnen gebruikt worden in een strafproces. Enkel wanneer daardoor de rechten van verdediging op een onherstelbare wijze zijn geschonden, kan de strafvordering onontvankelijk verklaard worden. Dit was hier niet het geval.
Met betrekking tot de grond van de zaak, oordeelde het hof dat publieke omkoping niet bewezen was.
Het misdrijf publieke omkoping vereist dat de omgekochte persoon een openbaar ambtenaar is. Het hof oordeelde dat de personen die volgens het openbaar ministerie door de baggerfirma DEME NV zouden zijn omgekocht, geen openbare ambtenaren waren maar gewone particulieren (respectievelijk een private consultant en één of meerdere kaderleden van een private Russische bouwonderneming).
Het hof beoordeelde ook of de feiten die voorwerp uitmaakten van de beschuldiging, eventueel konden beschouwd worden als private omkoping. Ook dit misdrijf was niet bewezen.
Het misdrijf private omkoping (d.w.z. omkoping binnen het kader van een private onderneming) vereist dat de door omkoping bekomen handeling werd gesteld zonder medeweten of zonder instemming van de raad van bestuur of de aandeelhouders van de onderneming. Aangezien in Rusland zelf geen onderzoek werd gevoerd, en met betrekking tot de Russische onderneming waarin de private omkoping volgens het openbaar ministerie had plaatsgevonden dus ook geen onderzoek was gevoerd, kon niet bepaald worden of de handelingen die volgens het openbaar ministerie door omkoping waren gesteld, zonder instemming of medeweten van de raad van bestuur of de aandeelhouders waren gebeurd.
Het hof wees er onder meer op dat Jan De Nul NV haar beschuldigingen aan het adres van DEME NV in 2014 in Rusland zelf verschillende keren had aangekaart, zowel bij de raad van bestuur van de Russische onderneming in kwestie als bij de Russische overheid. Daarop was echter nooit enige reactie gekomen.
Dat de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie niet hadden geprobeerd om in Rusland verder onderzoek te laten uitvoeren, vond het hof in de gegeven omstandigheden begrijpelijk. Dit nam echter niet weg dat dit gebrek aan onderzoek een grote leemte veroorzaakte in de bewijsvoering, terwijl anderzijds de bewijsstandaard voor een veroordeling steeds dezelfde moet blijven: de schuld van de beklaagden moet boven iedere redelijke twijfel vaststaan. Dit kon hier niet aangetoond worden.