In een recent vonnis (17/9/2026) deed de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel uitspraak in het kader van een procedure tot vervanging van curator.
De onderliggende feiten spelen zich af in het kader van een besloten voorbereiding van een faillissement die uitmondde in een faillissement. De schuldenaar had reeds voor beëindiging van de besloten voorbereiding aangegeven het faillissement te zullen aanvragen. Na de beëindiging van de besloten voorbereiding en voor het openen van het faillissement ontspon er zich mailverkeer tussen de schuldenaar en de (beoogd) curator, en richtte de (beoogd) curator een schrijven aan de rechtbank. Na aanstelling van de (beoogd) curator als curator in het faillissement, verzocht de schuldenaar om de vervanging van de curator op basis van diens handelen tijdens de tussenperiode.
De vraag rees naar enerzijds het statuut van de (beoogd) curator in dit ‘niemandsland’, en anderzijds de redenen op grond waarvan de rechtbank een curator kan vervangen. De rechtbank stelde vast dat de procedure van besloten voorbereiding van het faillissement in wezen een antimisbruikbepaling is, en er dus continuïteit tussen beoogd curator en curator moet zijn. De rechtbank oordeelde dat onder meer deze continuïteit als factor in rekening moet worden genomen wanneer een vervanging van curator in de latere faillissementsprocedure wordt gevorderd, en dat louter gebrek van vertrouwen door de schuldenaar in de curator niet voldoende is om tot vervanging over te gaan. Deze continuïteit rechtvaardigt ook dat de (beoogd) curator zelfs na het aflopen van zijn mandaat als beoogd curator en voor het starten van zijn mandaat als curator bepaalde handelingen stelt om deze continuïteit te bewaren.
Het verzoek tot vervanging werd afgewezen.
➡️ Lees de volledige beslissing op Juportal: ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260918.1