Op 13 mei 2026 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, dat drie met elkaar verbonden Belgische vennootschappen fiscaal misbruik maakten door meer dan 180 miljoen euro aan dividenden via een internationale groepsstructuur te laten doorstromen zonder inhouding van Belgische roerende voorheffing.
Drie met elkaar verbonden Belgische vennootschappen, actief in de logistieke sector, keerden in 2020 dividenden uit aan een moedervennootschap in Luxemburg zonder roerende voorheffing in te houden. Zij meenden te kunnen genieten van de vrijstelling die geldt voor dividenduitkeringen binnen vennootschapsgroepen in de Europese Unie.
De belastingadministratie volgde dit standpunt niet en vestigde belastingaanslagen in de roerende voorheffing voor een totaalbedrag van bijna 78 miljoen euro. De drie vennootschappen betwistten deze aanslagen voor de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de dividenduitkeringen deel uitmaakten van een kunstmatige constructie die was opgezet met als doel het ontwijken van Belgische bronbelasting. De vennootschapsgroep maakte gebruik van een strategie waarbij zij de winsten gemaakt door de Belgische bedrijven aan de hand van dividenden belastingvrij lieten doorstromen naar twee moedervennootschappen in Luxemburg en vervolgens naar een trust gevestigd in Jersey.
Op die manier konden Belgische winsten van meer dan 180 miljoen euro de Europese Unie verlaten zonder heffing van roerende voorheffing. Kort nadien keerde een groot deel van deze middelen opnieuw belastingvrij terug naar België onder de vorm van leningen die werden omgezet in kapitaal.
De rechtbank besloot dat de enige bedoeling achter deze constructie was om roerende voorheffing te vermijden, waardoor er sprake is van fiscaal misbruik. De belastingadministratie mocht daarom de toepassing van de vrijstelling weigeren en roerende voorheffing heffen op de uitgekeerde dividenden.
De vele procedureargumenten die de vennootschappen inriepen ter verantwoording van hun standpunt dat de misbruik niet was bewezen, wees de rechtbank ook van de hand.
Wel stelde de rechtbank vast dat de belastingadministratie de verschuldigde roerende voorheffing verkeerd berekende door ten onrechte een brutering toe te passen. Daardoor werd de belasting berekend op een hoger bedrag dan wat effectief werd uitgekeerd. In die mate hervormde de rechtbank de aanslagen.
De betrokken vennootschappen blijven roerende voorheffing verschuldigd voor het aanslagjaar 2020, maar hebben recht op terugbetaling van het te veel geïnde bedrag.
Luc De Cleir
woordvoerder REA Antwerpen
0472/90.13.56