Op 1 april 2026 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, een beklaagde voor schuldig verzuim, vluchtmisdrijf met een gekwetste en geïntoxiceerd besturen van een voertuig. Hij werd gestraft met een gevangenisstraf met uitstel, een geldboete en een rijverbod.
In de ochtend van 8 januari 2024 werd de politie opgeroepen nadat er een man bewusteloos op straat werd aangetroffen. Hij had verschillende breuken en verkeerde volgens de hulpdiensten in levensgevaar.
Uit camerabeelden bleek dat de beklaagde kort voordien met zijn wagen achteruit over het slachtoffer was gereden. De beklaagde trof het slachtoffer vervolgens in een duidelijk verontrustende en hulpeloze toestand aan. Hij verwittigde de hulpdiensten 10 minuten later en maakte geen melding van zijn betrokkenheid bij het ongeval. Uit een ademtest bleek dat de beklaagde onder invloed van alcohol was.
Het slachtoffer liep bij het ongeval zeer ernstige en meervoudige verwondingen op, waaronder zwaar borst‑ en buiktrauma, een klaplong en ernstige letsels aan de ledematen. Hij onderging verschillende operaties waarbij uiteindelijk beide bovenbenen werden geamputeerd.
De beklaagde werd vervolgd voor:
-
schuldig verzuim;
-
vluchtmisdrijf met een gekwetste;
-
rijden in staat van dronkenschap;
-
het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen;
-
het niet in de hand houden van zijn voertuig.
A. Schuldig verzuim (bewezen)
De rechtbank oordeelde dat het manifest ongeloofwaardig is dat de beklaagde niet wist dat hij over het slachtoffer was gereden, gelet op de opwaartse beweging van het voertuig op het moment van de aanrijding en de locatie van het voertuig en het slachtoffer na de aanrijding. Zelfs als de beklaagde dit niet zou hebben beseft, was het duidelijk dat het slachtoffer zich in een kritieke toestand bevond en onmiddellijke hulp vereiste. De beklaagde wachtte echter 10 minuten alvorens de hulpdiensten te bellen. Bovendien verzweeg de beklaagde dat hij het slachtoffer had overreden.
Deze onverantwoorde vertraging en het opzettelijk verzwijgen van die cruciale informatie maakt schuldig verzuim uit. De rechtbank legde hiervoor een gevangenisstraf van 8 maanden op met uitstel voor een termijn van 5 jaar.
B. Vluchtmisdrijf met een gekwetste (bewezen)
Door te verzwijgen ten aanzien van de politiediensten dat de beklaagde als bestuurder betrokken was bij een ongeval waarbij het slachtoffer ernstig gewond raakte, onttrok de beklaagde zich bewust aan de dienstige vaststellingen en maakte hij zich schuldig aan vluchtmisdrijf.
De rechtbank veroordeelde de beklaagde hiervoor tot een gevangenisstraf van 4 maanden met uitstel voor een termijn van 3 jaar en een geldboete van 3.200 euro, waarvan de helft met uitstel eveneens voor 3 jaar.
Verder werd aan de beklaagde een rijverbod van 3 maanden opgelegd, waarbij het terugkrijgen van het rijbewijs afhankelijk werd gemaakt van het slagen voor een medische en psychologische proef en voor een praktisch rijexamen.
C. Rijden in staat van dronkenschap (geherkwalificeerd)
Uit de metingen bleek dat de beklaagde op het moment van de feiten 1,55 promille alcohol in het bloed had. Hoewel niet bewezen is dat hij zich in een staat van dronkenschap bevond, stond vast dat hij geïntoxiceerd was terwijl hij zijn voertuig bestuurde. De rechtbank heeft dit feit in die zin dus geherkwalificeerd.
Door geïntoxiceerd zijn voertuig te besturen, gaf de beklaagde blijk van een gebrek aan verantwoordelijkheidszin in het verkeer. De beklaagde werd hiervoor veroordeeld tot een geldboete van 1.600 euro, waarvan de helft met uitstel voor een termijn van 3 jaar, en een rijverbod van 1 maand.
D. Het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen bij een verkeersongeval door een gebrek aan voorzichtigheid en voorzorg (vrijspraak)
De rechtbank oordeelde dat het voor de beklaagde onmogelijk te voorzien was dat het slachtoffer achter zijn voertuig lag op het moment dat hij vertrok, mede door de beperkte zichtbaarheid. Er kon hem daarom geen gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg verweten worden en hij werd vrijgesproken voor deze tenlastelegging.
E. Het niet in de hand houden van zijn voertuig (vrijspraak)
Het strafonderzoek toonde niet aan dat de beklaagde bij het uitvoeren van het achterwaarts manoeuvre zijn voertuig niet in de hand had, zodat de beklaagde voor deze tenlastelegging werd vrijgesproken.
Schadevergoeding aan de burgerlijke partijen
De rechtbank stelde vast dat burgerlijke partijen schade leden door het bewezen schuldig verzuim. Het strafonderzoek heeft echter niet boven iedere redelijke twijfel aangetoond dat de verwondingen van het slachtoffer zijn verergerd door de vertraging bij het oproepen van de hulpdiensten.
Wel heeft de beklaagde door die vertraging het slachtoffer een kans ontnomen op een mogelijk gunstiger verloop. Voor dat verlies van een kans als gevolg van het schuldig verzuim, moeten de beklaagde en zijn verzekeraar provisioneel 1 euro morele schadevergoeding betalen aan het slachtoffer, zijn partner, zijn zus, zijn stiefvader, zijn moeder en aan het slachtoffer en zijn partner in naam van hun minderjarige zoon.