27/02/2026

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft de Belgische Staat ontslagen van rechtsvervolging wegens de onterende behandeling van een gedetineerde. Hoewel de rechtbank het materiële element bewezen acht, was er noch sprake van een opzettelijke beslissing tot het niet-respecteren van de menselijke waardigheid, noch van een nalatigheid in de organisatie van het beleid. Het morele element in hoofde van de Belgische Staat is bijgevolg niet bewezen.

Rechtstreekse dagvaarding FOD Justitie

Op 26 september 2025 werd de Federale Overheidsdienst Justitie rechtstreeks gedagvaard door een gedetineerde wegens onterende behandeling (inbreuk op art. 417/4 Strafwetboek). In de dagvaarding verwees de gedetineerde naar de levensomstandigheden in de cel 508 van de gevangenis Nieuwe Wandeling te Gent, waar hij van 17 juni 2025 tot en met 5 augustus 2025 onafgebroken verbleef.

In de dagvaarding lag de nadruk op: 

  • de beperkte leefruimte van de cel (2,24 m² per persoon)

  • het feit dat hij de cel met twee andere personen moest delen

  • het feit dat hij zich niet op een normale manier binnen de cel kon bewegen 

  • het feit dat hij afwisselend op de grond moest slapen wat als extreem vernederend werd ervaren

De gedetineerde verwees daarnaast ook naar zijn medische problematiek (diabetes type 1). Door het werkschema van de dokter stelde hij zijn insulinespuiten niet op de juiste momenten te kunnen toedienen. Bovendien mocht hij wegens de overbevolking zijn medicatie niet op cel hebben.

Vaststelling gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder stelde op 30 juli 2025 vast dat cel 508 een duo-cel betrof van ongeveer 10 à 10,5 m² met een effectieve vloeroppervlakte van 8,91 m², waar in totaal drie gedetineerden verbleven. Naast een stapelbed lag er nog een matras op de vloer. In de cel voelde het bijzonder warm aan.

Criteria onmenselijke behandeling – toetsing aan art. 3 EVRM

Artikel 417/1 van het Strafwetboek stelt dat een onterende behandeling elke behandeling betreft die in de ogen van het slachtoffer of van derden een ernstige krenking of aantasting van de menselijke waardigheid uitmaakt. Krachtens het artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan onder andere onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. 

De verenigbaarheid van de detentievoorwaarden met artikel 3 EVRM wordt bepaald door diverse voorwaarden: 

  • een gedetineerde moet beschikken over een persoonlijke celruimte van minstens 3 m² (sanitair niet inbegrepen)
  • elke gedetineerde moet over een persoonlijke slaapplaats beschikken

  • de gedetineerde moet zich vrij tussen het meubilair op cel kunnen bewegen

Wanneer een gedetineerde in een cel verblijft waarbij de persoonlijke ruimte minder dan 3 vierkante meter bedraagt, ontstaat een ernstig vermoeden van schending van artikel 3 EVRM. De verwerende overheid moet dan kunnen aantonen dat er voldoende compensatie wordt geboden aan de hand van de volgende factoren:

  • De tijdsduur waarin de persoonlijke ruimte minder dan 3 m² bedraagt, is kort, occasioneel en onbeduidend.

  • De vermindering van de persoonlijke ruimte ten opzichte van het vereiste minimum van 3 m² gaat gepaard met een toereikende bewegingsvrijheid en passende activiteiten buiten de cel.

  • De detentie vindt plaats in een instelling die in het algemeen gepaste detentievoorwaarden biedt.

  • De gedetineerde is niet onderworpen aan andere slechte detentievoorwaarden (bijvoorbeeld: een gebrek aan toegang tot de wandelkoer of tot natuurlijke lucht en natuurlijk licht, een slechte verluchting, een te lage of te hoge temperatuur in de lokalen, een ontstentenis van intimiteit op de toiletten of slechte sanitaire of hygiënische omstandigheden).

Concrete beoordeling situatie cel 508 Nieuwe Wandeling

Wanneer de rechtbank bovenstaande bepalingen aftoetste aan de specifieke situatie in cel 508 van de Gentse gevangenis Nieuwe Wandeling kwam ze tot de volgende besluiten:

  • De gedetineerde verbleef voor een periode van 50 dagen (van 17 juni tot en met 5 augustus 2025) in een collectieve cel waarin de persoonlijke leefruimte per gedetineerde minder dan 3 vierkante meter bedroeg. 

  • De tijdspanne van 50 dagen is allerminst als kort, occasioneel en onbeduidend te bestempelen.

  • De Belgische Staat heeft de gedetineerde bijgevolg een beproeving doen ondergaan waarvan de intensiteit het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan detentie heeft overschreden. Zodoende werd de gedetineerde aan een vernederende behandeling blootgesteld, welke verboden is door artikel 3 EVRM.

De rechtbank oordeelt dan ook dat het materieel element van het misdrijf onterende behandeling overeenkomstig artikel 417/4 Strafwetboek vaststaat.

Moreel element en opzettelijkheid

Naast het bewezen materiële element, heeft de rechtbank onderzocht of de Belgische Staat in de periode van 17 juni tot en met 5 augustus 2025 opzettelijk de beslissing nam om de gedetineerde aan deze onterende behandeling te onderwerpen, dan wel of zij naliet om haar beleid zodanig te organiseren dat de menselijke waardigheid wel zou worden gerespecteerd.

Alle partijen zijn het erover eens dat uit geen enkele element blijkt dat er sprake is van een opzettelijke beslissing tot het niet-respecteren van de menselijke waardigheid van de gedetineerde. 

Volgens de rechtbank is het evenmin bewezen dat de Belgische Staat in de periode van 17 juni tot en met 5 augustus 2025 heeft nagelaten om haar beleid op een dergelijke manier te organiseren opdat de menselijke waardigheid van de gedetineerde in kwestie zou worden gerespecteerd. Zo verwijst de rechtbank naar de Memorie van Toelichting bij de Noodwet van 18 juli 2025.

Conclusie

De rechtbank stelt zodoende vast dat de Belgische Staat - in de vorm van de Minister van Justitie - wel degelijk een beleid voert dat humane detentieomstandigheden beoogt en waarbij respect voor de menselijke waardigheid van de gedetineerden van belang is. De rechtbank stelt tevens vast dat de Belgische Staat daarbij wordt geconfronteerd met een aantal elementen waarop zij geen of niet als enige invloed heeft (bv: de bestaande vergunningsprocedures, de forensisch psychiatrische centra, bilaterale akkoorden met derde landen voor gedetineerden zonder recht op verblijf,…). Tegelijkertijd moet de Belgische Staat de rechterlijke beslissingen rond aanhouding en detentie kunnen uitvoeren, om ook andere belangrijke waarden zoals de openbare veiligheid te garanderen.

De rechtbank besluit daarom dat de tenlastelegging van onmenselijke behandeling zoals geviseerd in de rechtstreekse dagvaarding niet bewezen is. De Belgische Staat wordt bijgevolg ontslagen van rechtsvervolging. 

De rechtbank verklaart zich bijgevolg tevens onbevoegd om te oordelen over de vordering tot schadevergoeding van de gedetineerde.

Vonnis raadpleegbaar op website

U kan het volledig (geanonimiseerde) vonnis nalezen via onderstaande PDF.