Publicatiedatum

Persmededeling van de hoven van beroep van Gent en Antwerpen naar aanleiding van een artikel dat verspreid werd via de pers onder de titel "Advocaat gedoemd tot pen en papier". 

De hoven van beroep van Gent en Antwerpen namen met verwondering kennis van de berichtgeving, op 27 december jl. verschenen in De Tijd en daarna ook verspreid via Belga, onder de titel “Advocaat gedoemd tot pen en papier”.   

Daarin wordt de verkeerde perceptie gewekt als zouden advocaten, of partijen, die toelating hebben tot inzage en afschriftname van het strafdossier, geen kopies mogen nemen met eigen middelen zoals leespennen, handscanners, smartphones e.d.m.
 
Daar wordt in de regel echter geen enkel probleem van gemaakt en de administratie van Financiën heeft reeds lang geleden bevestigd dat er geen kopierecht verschuldigd is indien een partij/advocaat met eigen middelen een kopie neemt.
 
Partijen en advocaten kunnen dus wel degelijk kopie nemen met eigen middelen van strafdossiers.
 
Voor dossiers die nog in onderzoek zijn, en waarvan een partij inzage kan nemen in het kader van de procedure voorlopige hechtenis, liggen de zaken echter niet zo eenvoudig, zoals iedere lezer die te goeder trouw is, zal willen begrijpen.
 
In deze fase is het onderzoek immers nog lopende. Andere verdachten dan de in hechtenis genomen persoon zijn eventueel nog niet geïdentificeerd, worden nog opgespoord en/of meerdere betrokkenen, verdachten en getuigen, dienen te worden gehoord waarbij het voor de waarheidsvinding van belang is dat betrokkenen zo min mogelijk verklaringen op elkaar kunnen afstemmen of bewijzen kunnen wegmaken.   De mogelijkheid om, zonder toelating van de onderzoeksrechter, kopie te nemen van het dossier zou de goede afloop van een onderzoek in het gedrang kunnen brengen. De mededelingen van verdachten dat zij onder druk worden gezet of zelfs bedreigd om stukken van het dossier door te geven aan derden, zijn niet alleenstaand. Uiteraard wordt hiervan zelden aangifte gedaan. Ook de veiligheid van de aangehouden verdachte komt aldus in het gedrang. Nota’s hebben naar derden toe immers minder authenticiteitswaarde dan een afschrift.   Het is niet realistisch te verwachten dat de voorziene verscherping van art. 460ter Sw. ter bestraffing van het misbruik van het inzagerecht soelaas kan bieden. Er wordt opgemerkt in gerechtelijke onderzoeken dat collusie wordt gepleegd met behulp van afschriften van dossierstukken. De strafvervolgingen, die op deze basis werden ingesteld het afgelopen decennium, zijn zeldzaam. Dit misdrijf is immers moeilijk te bewijzen. In het verleden is zelfs kunnen vastgesteld worden dat sommige leden van de balie zich bezondigden aan misbruik van het inzagerecht.  

Stellen dat het verbieden van het eigenhandig nemen van afschriften van het strafdossier bij inzage op de griffie van de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling betekent dat men wordt gedwongen opnieuw ‘met pen en papier’  nota te nemen, is niet correct, zelfs stemmingmakerij. Op basis van het huidige art. 61ter Sv. kan de aangehouden verdachte de onderzoeksrechter verzoeken afschrift te verkrijgen – en kosteloos eigenhandig te nemen -  van het dossier of een deel ervan. Indien de onderzoeksrechter meent dit (gedeeltelijk) te moeten weigeren, moet hij dit motiveren (zie §3) en is beroep tegen deze beslissing mogelijk.    Art. 61ter §3 Sv. voorziet dat (volledig) afschrift onder meer kan geweigerd worden indien de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen of indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.    Wie niet wil inzien dat dergelijke kopie van het dossier in het stadium van het onderzoek, grote risico’s met zich mee kan brengen voor het onderzoek, en voor de veiligheid van de erin betrokken partijen, neemt een grote verantwoordelijkheid. 
 
Een restrictieve regeling voor het eigenhandig nemen van afschrift van het volledige dossier bij inzage van het dossier op de griffie van de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de procedure van de voorlopige hechtenis is dus volkomen verantwoord.
 
Het is dus volstrekt onterecht dat in de berichtgeving ter zake geen enkele melding wordt gemaakt dat deze problematiek beperkt is tot de dossiers inzake voorlopige hechtenis van zaken die nog in onderzoek zijn.
 
En het is eveneens onterecht dat niemand gewag maakt van het feit dat zelfs in dat geval een toelating tot kopiename kan gevraagd worden aan de bevoegde onderzoeksrechter.
 
En het is onbegrijpelijk dat de minister van Justitie hiermee geen rekening heeft gehouden in zijn wetsontwerp terzake.
 
Gelukkig heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) dit opgemerkt en hierbij voorbehoud geformuleerd.
 
Voor zoveel als nodig herhalen wij dat dit verbod op het nemen van kopies met eigen middelen beperkt is tot de dossiers van voorlopige hechtenis waarin er geen toelating werd verleend tot het verkrijgen van een afschrift van het dossier of delen ervan.
 
Zowel de titel als de teneur van de verschenen berichtgeving dekken dus geenszins de lading en verdienen een rechtzetting, zoals voorzien in art. 5 van de Code van de raad voor de Journalistiek.

Wie echter meent dat, inzake dossiers van voorlopige hechtenis, het comfort van de advocaten primeert op het belang van het onderzoek en de veiligheid van de betrokken partijen, kan zonder scrupules verder ijveren voor een opheffing van het scanverbod van deze dossiers.